ECLI:NL:HR:1923:51, Hoge Raad, 19-11-1923, 28838

Hoge Raad · 19 november 1923

Bron
Hoge Raad
Datum
19 november 1923
ECLI
ECLI:NL:HR:1923:51

Samenvatting (officiële bron)

-

Volledige tekst van de uitspraak

W28838

Nº 471 .

De Hooge Raad der Nederlanden

.

Op het beroep van [requirant]

, oud 41 jaren, koopman, geboren te [geboorteplaats]

, wonende te [woonplaats]

, requirant van cassatie voor zoover hij daarbij is veroordeeld, tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

, van den een en twintigsten Juni 1923, houdende bevestiging in hooger beroep van een vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Utrecht van 13 Maart 1923, waarbij de requirant van een deel van het hem te laste gelegde is vrijgesproken en voor het overige, als schuldig aan: "Als bestuurder "eener naamlooze vennootschap opzettelijk een onwaren "staat of balans openbaar maken", met toepassing van artikel 336 van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van acht maanden, met in mindering brenging van de door hem ondergane voorloopige hechtenis in voege als in het vonnis nader is bepaald;

Gehoord het verslag van den Raadsheer Fentener te van Vlissingen

;

Gezien de insinuatie, namens den Procureur- Generaal aan den requirant beteekend, ter kennisgeving van den dag, voor de behandeling dezer zaak bepaald;

Gelet op de middelen van cassatie, voorgesteld namens den requirant bij pleidooi:

I Schending, althans verkeerde toepassing van de artikelen 143,211,221,223, 239, 246, 247 van het Wetboek van Strafvordering, juncto artikel 336 van het Wetboek van Strafrecht, doordat het door het Hof bevestigde vonnis niet voldoende met redenen is omkleed:

1. ten aanzien van de vraag in hoeverre de bewuste balans onwaar was. Hieromtrent is alleen in het algemeen aangenomen dat het cijfer achter debiteuren opzettelijk te hoog en het cijfer achter saldo winst opzettelijk onjuist was gesteld;

2. ten aanzien van de vraag of de balans inderdaad onwaar dat is onjuist, verkeerd was en casu quo daardoor nadeel, althans misleiding van het publiek mogelijk was.

3. ten aanzien van de vraag of de bewuste balans in den zin der wet openbaar is gemaakt en of het opzet van requirant op dat openbaarmaken was gericht.

II Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 398 van het Wetboek van Strafvordering, doordat tot het bewijs hebben medegewerkt de verklaringen in het door het Hof bevestigde vonnis:

1. van den getuige [getuige 1]:

"dat dit winstsaldo in ieder geval een ± f 16000 - te hoog is" ;

2. van den getuige [getuige 2]:

"dat hij een aan hem in zijne hoedanigheid van directeur van het bijkantoor van de Nationale Bankvereeniging te Apeldoorn gericht jaarverslag' heeft ontvangen", enz welke verklaringen bijzondere meeningen of gissingen inhouden.

Gehoord den Advocaat-Generaal Besier, namens den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strek kende tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing der zaak naar een aangrenzend Gerechtshof om op het bestaande hooger beroep en met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest opnieuw te worden berecht en afgedaan;

Overwegende, dat, bij het door het bestreden arrest bevestigde vonnis, van het aan den requirant bij inleidende dagvaarding ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is verklaard -met strafoplegging en qualificatie als voormeld - dat hij omstreeks Mei 1922 te Amersfoort en elders in Nederland directeur zijnde van de Naamlooze Vennootschap [A], hoofdkantoor te Amersfoort, de in de telastelegging omschreven onware balans per 31 December 1921 van gemelde bank opzettelijk heeft openbaar gemaakt door deze te doen toekomen aan verschillende personen in Amersfoort en elders in Nederland, zijnde die openbaar gemaakte balans in zooverre opzettelijk onwaar, dat op de debetzijde het cijfer achter "debiteuren" opzettelijk te hoog was gesteld en op de creditzijde het cijfer achter "winst" opzettelijk onjuist gesteld was" ;

Overwegende, ten aanzien van het eerste middel van cassatie:

dat bij het eerste onderdeel, blijkens de daarvan gegeven toelichting wordt beweerd, dat, waar niet is beslist, hoeveel de als onwaar aangenomen posten van de waarheid afweken, er een vaagheid is blijven bestaan, die met den eisch van behoorlijke motiveering onvereenigbaar is;

dat die bewering niet juist is;

dat immers de klacht over vaagheid, indien zij gerechtvaardigd was, zou treffen de telastelegging

zelve, niet de gronden, waarop deze is bewezen verklaart,

dat nu in de aanklacht, voor zoover zij grondslag der veroordeeling heeft uitgemaakt, de afwijkingen van de werkelijke cijfers niet nader waren aangeduid, ook inde motiveering kon worden volstaan met de gronden aan te geven, waarom als vaststaand is aangenomen, dat de in de dagvaarding bedoelde posten niet de juiste bedragen vermeldden, zonder dat het noodig was daarbij nauwkeurig vast te stellen, hoeveel zij daarvan verschilden;

Overwegende ten aanzien van het tweede onderdeel:

dat de wetgever, in artikel 336 van het Wetboek van Strafrecht het opzettelijk openbaar maken van een onwaren staat of balans strafbaar stellende, daarbij is uitgegaan van de gedachte, dat een zoodanige openbaarmaking in het algemeen en als regel gevaar oplevert voor nadeel en misleiding van het publiek; dat hij, waar het ging om bescherming van belangen van het publiek in het algemeen, geen aanleiding heeft gevonden de mogelijkheid van nadeel of misleiding in elk concreet geval als element in de omschrijving van het strafbare feit op te nemen;

dat, in overeenstemming daarmede in de onderwerpelijke dagvaarding van zoodanige mogelijkheid niet is gerept, waarvan het dadelijk gevolg is, dat het vonnis op dit punt niet afzonderlijk met redenen behoefde te zijn omkleed;

dat voorts, waar op grond van de in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen is aangenomen, dat de post "debiteuren" een hooger bedrag aan inschulden aangaf, dan met de gegevens in de boeken overeenkwam , en dat de openbaar gemaakte balans een winstsaldo aanwees terwijl er inderdaad verlies was geleden, althans de winst aanmerkelijk lager was dan die balans vermeldde, de beslissing, dat dit stuk is onwaar, dat is onjuist, verkeerd, alleszins voldoende is gemotiveerd;

Overwegende, dat ook het derde onderdeel ongegrond is;

dat toch, al is zeker niet iedere bekendmaking van een balans aan enkele personen te beschouwen als een openbaarmaking in den zin van artikel 336 van het Wetboek van Strafrecht, daaronder wel is te begrijpen het verspreiden van de balans eener bankinstelling onder cliënten, aandeelhouders en bevriende instellingen; dat de Rechtbank op grond van een door den requirant gedane opgave, heeft aangenomen, dat een en ander door hem opzettelijk is gedaan, en zij, door deze opgave in haar later door het Hof bevestigde vonnis op te nemen, hare uitspraak op dit punt behoorlijk met redenen heeft omkleed;

dat dus het eerste middel in zijn geheel moet worden verworpen;

Overwegende, met betrekking tot het tweede middel:

dat de verklaring van den getuige [getuige 1], welke in het middel sub 1º wordt gewraakt, aldus kan worden begrepen, dat die getuige, als bediende werkzaam op het kantoor der bank, om welker balans het in deze ging en die eerst aan de hand van de ten kantore aanwezige gegevens een proefbalans had opgemaakt, heeft verklaard, dat het winstsaldo op de eveneens door hem opgemaakte en daarna openbaar gemaakte balans ten minste f 16000- hooger was, dan de bedoelde gegevens aanwezen; dat deze verklaring, in den mond van een getuige, die zelf de gegevens had bewerkt, kan berusten op enkel vergelijking van cijfers en dus niet behoeft te zijn, wat voor welslagen van het middel noodig ware, een bij redeneering opgemaakte meening of gissing;

dat de verklaring van getuige [getuige 2], waar tegen in het middel sub 2º bedenkingen worden aangevoerd, aldus kan worden verstaan, dat op het adres van het aan dien getuige toegezonden jaarverslag zijne hoedanigheid als Directeur van de Nationale Bankvereeniging te Apeldoorn was vermeld, hetgeen zeker voor dadelijke waarneming vatbaar is;

dat dus ook het tweede middel niet tot cassatie kan leiden;

Verwerpt het beroep.

Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heeren Nijpels President, Fentener van Vlissingen, Taverne, Schepel, Van Gelein Vitringa, Raden, in bijzijn van den Griffier Prager, die dit arrest hebben ondertekend, en door den Raadsheer Fentener van Vlissingen tegenwoordigheid van de genoemde Heeren van den negentienden November 1900 Drie en Twintig.

De samenvatting en tekst komen ongewijzigd uit de officiële bron. Advocaatcassatie.nl voegt geen eigen inhoudelijke analyse toe.

Bekijk de volledige uitspraak