ECLI:NL:HR:2026:1069, Hoge Raad, 30-06-2026, 25/00781

Hoge Raad · 30 juni 2026

Bron
Hoge Raad
Datum
30 juni 2026
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1069

Samenvatting (officiële bron)

Economische zaak. Als veehouder nodige verzorging onthouden aan zijn runderen (art. 2.2.8 en 2.3.2 Wet dieren en art. 1.6, 1.7.d en 1.7.e Besluit houders van dieren) en geen inzage verschaffen in registratie van diergeneesmiddelen en verrichte medische handelingen (art. 2.7 Besluit houders van dieren). Ontvankelijkheid cassatieberoep en weigering van verdachte om oproeping voor nadere tz. in hoger beroep in ontvangst te nemen, art. 432.1.a Sv. Is cassatieberoep tijdig ingesteld? In art. 432.1.a Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak als dagvaarding of oproeping om op tz. te verschijnen of aanzegging of oproeping voor nadere tz. aan verdachte in persoon is gedaan of betekend. Volgens stukken is oproeping om op (nadere) tz. van hof van 15-1-2025 te verschijnen aan verdachte in persoon betekend. Dat op akte van uitreiking is aangetekend “ontvanger heeft brief gelezen maar gaf deze terug wilde hem niet hebben”, doet daaraan niet af. Daarom had o.g.v. art. 432.1.a Sv cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak van hof van 29-1-2025. Beroep is echter pas ingesteld op 28-2-2025. Dit brengt mee dat HR het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen. Verdachte n-o.

Volledige tekst van de uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer

25/00781 E

Datum

30 juni 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, economische kamer, van 29 januari 2025, nummer 21-005066-19, in de strafzaak

tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

hierna: de verdachte.

1

Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Greven bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.

2

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1

In artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend (uitgereikt).

2.2

Volgens de stukken is de oproeping om op de terechtzitting van het hof van 15 januari 2025 te verschijnen aan de verdachte in persoon betekend. Dat op de akte van uitreiking is aangetekend “ontvanger heeft brief gelezen maar gaf deze terug wilde hem niet hebben”, doet daaraan niet af. Daarom had op grond van artikel 432 lid 1, aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep moeten worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof van 29 januari 2025. Het beroep is echter pas ingesteld op 28 februari 2025. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling kan nemen.

3

Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026

.

De samenvatting en tekst komen ongewijzigd uit de officiële bron. Advocaatcassatie.nl voegt geen eigen inhoudelijke analyse toe.

Bekijk de volledige uitspraak